Tijdens het oefenen zul je merken dat er een beperkt aantal logische regels wordt toegepast. Door deze regels te herkennen, kun je sneller tot de oplossing komen:
Vaak geldt de regel in beide richtingen, maar soms is er een specifieke regel voor de rijen en een andere voor de kolommen.
Heb je vragen over een specifieke stap? Laat het weten in de comments
Check hier je antwoorden.
Gegeven: $$P = \beginpmatrix 1 & 2 & 3 \endpmatrix \quad (1 \times 3 \text matrix)$$ $$Q = \beginpmatrix 4 \ 5 \ 6 \endpmatrix \quad (3 \times 1 \text matrix)$$
Bereken: A. $M + N$ B. $2M - N$
Assessments zijn bijna altijd getimed. Gebruik online oefentests om te wennen aan het tempo dat van je gevraagd wordt. Waarom is voorbereiding belangrijk?